Op 11 oktober 2018 werd ter ere van het afscheid van onze Voorzitter Adri de Grijs-Langestraat de eerste "Adri de Grijs Lezing" uitgesproken door Rob van Daal, voormalig lid van de Participatieraad.

Hieronder treft u zijn tekst aan.

 

"Dames en heren, geachte leden en oud-leden van de Participatieraad, ambtenaren en bestuurders van gemeente Leidschendam-Voorburg, beste Adri.

 

Recent kreeg ik het eervolle verzoek om het afscheid van Adri te schragen met een lezing. De lezing moest gaan over het sociaal domein. Voor het overige geen instructies. Ik vond het een leuk, en ijdel als ik ben, ook beetje een egostrelend verzoek. Tegelijkertijd ook spannend. Want wat ga je vertellen? Hoe doe ik met een verhaal recht aan het vele werk dat Adri heeft verricht?

Laat ik beginnen met te vertellen wie er voor u staat. Een aantal van u ken ik natuurlijk, maar niet iedereen. Dat betekent dat niet iedereen mij kent en ik ga toch 30 minuten van uw leven vullen. Mijn naam is Rob van Daal, getrouwd, vader van twee zonen, opgeleid als bestuurskundige en twintig als adviseur en manager actief in het openbaar bestuur. Maar vooral hier, bij dit afscheid van Adri, ook voormalig lid van de Participatieraad van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

Het is zo’n vijf jaar geleden dat ik na het schrijven van een brief en een gesprek lid werd van de Participatieraad. We stonden aan de vooravond van de ontdekking van de term sociaal domein. Die ontdekking was te danken aan de overgang van een aantal taken naar de gemeenten, ook wel aangeduid met de gevleugelde kreet “de drie decentralisaties in het sociaal domein”.
Gemeenten hadden jarenlang uitgedragen dat zij als eerste overheid het best geëquipeerd waren om taken uit te voeren die bij Rijk of provincie lagen.
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning was een paar jaar daarvoor de ouverture geweest en dat had zelfvertrouwen gegeven. Het leek mij reuze interessant om als inwoner met de gemeente mee te denken over een dergelijk omvangrijke verandering van beleid en uitvoering. Ik koesterde ook de hypothese dat het me, als Brabander met een baan op het schiereiland Noord-Holland en trouw PSV aanhanger, meer zou doen assimileren in mijn woonplaats.

Terugdenkend aan de periode denk ik eigenlijk dat er drie perspectieven zijn geweest die toen en nu nuttig zijn om te betrekken in de advisering van het gemeentebestuur als Participatieraad. Ik wil die perspectieven schetsen, maar ik maak daarbij dankbaar gebruik van de kennis van anderen die ik daarvoor bewonder en of waardeer. Ik zal ze daarbij ook steeds expliciet benoemen.

 

In de eerste plaats denk ik aan het sociologische perspectief. Sociologie is de wetenschap die kijkt naar thema’s als cohesie, identiteit, ongelijkheid. Ze onderzoek de samenleving en kijkt daarbij naar relaties, structuren en macht. Voor een aantal relevante inzichten in het sociaal domein die ik in deze lezing met u deel, leun ik sterk op de oratie van Kim Putters bij de aanvaarding van zijn leerstoel aan de Erasmus Universiteit. De meeste van u zullen hem wel kennen als de directeur van Sociaal Cultureel Planbureau. Het SCP brengt jaarlijks de Sociale staat van Nederland in beeld en peilt frequent het gevoelen van de inwoners van Nederland.

Vanuit dit perspectief zal ik schetsen dat er ongelijkheid in Nederland bestaat en dat die structureel is, die niet enkel economisch is maar ook in termen van gezondheid en zorg. Ik zal daarbij ook schetsen dat er ook veel zelfstandigheid en zelfredzaamheid bestaat. Dat we niet moeten denken in tweedeling, maar verfijnder moeten kijken willen we legitimiteit en het financiële en ideologisch draagvlak voor de huidige verzorgingsarrangementen willen kunnen behouden.

In de tweede plaats denk ik aan het bestuurskundige perspectief. Hiervoor grijp ik terug op twee Nederlandse hoogleraren uit dit vakgebied.
In de eerste plaats bestuurskundige filosoof Paul Frissen en dan met name zijn boek De fatale staat. In de tweede plaats aan mijn leermeester en practicioner Roel in ’t Veld en zijn boek Kennisdemocratie. Het aardige is dat beiden tot zeer verschillende bevindingen komen, die denk ik tegelijkertijd waar zijn. Misschien is het daarom ook wel bestuurskunde en geen bestuurswetenschap.

Maar ik wil dit perspectief afsluiten door te verwijzen naar Albert Jan Kruiter, die de Participatieraad een aantal jaren geleden als spreker heeft uitgenodigd om ons te inspireren met de hart-wet-euro balans.
Vanuit dit perspectief zou ik willen waarschuwen voor torenhoge verwachtingen van wat beleid en overheidsingrijpen vermag. De goden straffen de stervelingen door hun wensen te vervullen. Zij die het meeste kritiek hebben op de overheid, hebben regelmatig ook de hoogste verwachtingen. Daar ontbeert logica. Tegelijkertijd zijn er vele voorbeelden van succesvol overheidshandelen, alleen is de wereld ook steeds complexer door een samenspel van politiek, wetenschap en media.

Het derde perspectief is het menselijke perspectief, of minder dramatisch het perspectief van de inwoner, de patiënt, de ervaringsdeskundige (hoewel dat laatste weer een gevaarlijk woord is, want dat dreigt te professionaliseren en dan eindigt het met te zijn wat ik bedoel met het menselijke perspectief). Mijn inzichten op dat vlak steunen op de gesprekken die ik vier jaar heb gevoerd met mijn collega’s in de Participatieraad.

Vanuit dit perspectief wil ik pleiten voor de gevoeligheid van signalen ook als zijn de nog klein en zwak. De bereidheid van professionals in het openbaar bestuur om te luisteren naar de leek, de buitenstaander, de inwoner als adviseur, zeker als je staat voor grote veranderingen.

Ik denk dat het prisma van deze drie perspectieven raadsleden, bestuurders en ambtenaren een interessante mix bieden die bruikbaar is voor hun keuzes. Uiteraard zijn er veel meer perspectieven. De zorg en de wetenschap kennen immers vele specialismen met elk zijn eigen merites. Ik beperk me in deze lezing tot deze drie.

 

Het sociologische perspectief is een goede manier om de ontwikkeling van de samenleving als geheel te schetsen. Putters biedt in zijn oratie het volgende beeld. In sociale relaties binnen families, in vriendenkringen, bedrijven en maatschappelijke verbanden is in de loop der tijd veel veranderd, wat invloed heeft op de werking van de arrangementen in de verzorgingsstaat en op de ervaringen van burgers daarbij. Zo kregen meer emancipatie en een hoger opleidingsniveau een politiek-ideologische vertaling naar een kleinere rol van de overheid en meer keus en regie bij individuen. Bovendien verdwenen door de ontkerkelijking vaste structuren, waarin mensen deel uitmaakten van een bredere gemeenschap. Veel mensen zijn in staat gebleken om zelfstandiger het leven in te richten en dat als de norm te stellen, ook ten aanzien van gezondheid en zorg.
Daarnaast zijn er door de vergrijzing en de ontgroening van de bevolking minder mensen die via premie- en belastingafdrachten de kosten van de sociale zekerheid opbrengen.
Het aantal inactieven op de arbeidsmarkt is fors toegenomen ten opzichte van het aantal actieven. Dit zijn langjarige ontwikkelingen die onbetwist zijn en van grote invloed voor het sociaal domein.

Door dit alles staan de houdbaarheid van en het draagvlak voor de systemen van zorg en zekerheid al geruime tijd hoog op de politieke en maatschappelijke agenda. Dat is een wezenlijke context voor de het beleidsmatige denken over het sociaal domein waarbij Putters vervolgens stelt dat er drie maatschappelijke discussies te ontwaren zijn die relevant zijn voor de wijze waarop we met dit vraagstuk omgaan.

In de eerste plaats betreft dit volgens Putter dat het individuele recht steeds meer het normatieve kader vormt voor veel burgers. Dat heeft gevolgen voor de collectieve norm, voor het omgaan met risico’s, teleurstelling, pech of verlies. Ik kom daar nog expliciet op terug bij het bestuurskundige perspectief omdat het daar ook een grote rol speelt. Het ideaal van maakbaarheid, van ‘weg met alle pech’ en het niet meer accepteren van verval of emotionele en lichamelijke beperkingen, stuwen die medicalisering op. Opgeteld bij de oneindig vele technologische en medische mogelijkheden en de grote hoeveelheid informatie die daarover via (sociale) media beschikbaar komt, zal dit niet snel minder wordt. Het geeft velen meer regie, maar het verhoogt ook de stress, omdat er teleurstellingen optreden. Die ene pil tegen dementie of het levenseinde is er (nog) niet, terwijl we steeds meer perfectie eisen. Sommigen zijn bovendien minder in staat om alle beschikbare informatie tot zich te nemen of denken onterecht dat wel te kunnen.

De tweede discussie die Putters benoemt in zijn oratie is de volgende. Er lijkt een groot geloof te bestaan in individuele regie over de kwaliteit van leven, gevoed door de onbegrensde mogelijkheden van nieuwe media, medicijnen en technologie. Ik heb aantal jaren terug als gevolg van dubbele hernia mogen ervaren dat dit zeer, zeer relatief is.
Tal van vormen van zelfmanagement, shared decision making en het online delen van ervaringskennis versterken dit verder. Alhoewel dit voor velen behulpzaam is, leidt het niet per definitie tot meer therapietrouw, gepast zorggebruik of vertrouwen in artsen.

Sommige burgers willen en gaan vaker zelf keuzes maken, terwijl de zorgarrangementen die mogelijkheid niet altijd bieden of de mensen er zelf niet altijd het juiste inzicht of de kennis voor hebben. Recente discussie over vaccinatie illustreert dit haarfijn. Voor zelfbeschikking zijn hulpbronnen nodig zoals inkomen, werk, sociale netwerken, taalvaardigheid en opleiding. Mensen die daar veel van hebben kunnen hun dagelijks leven gemakkelijker zonder de instituties invullen dan mensen die een stapeling van beperkingen ervaren.

Dan komt het derde punt aan bod. Vanwege de toenemende verwevenheid van gezondheid en zorg met andere onderdelen van het dagelijks leven, komt een dynamische definitie van individuele en collectieve gezondheid steeds meer in zwang. Daarin worden andere hulpbronnen, zoals werk, inkomen en sociale netwerken, relevanter.
De sociologie spreekt over kapitalen waarover mensen in meerdere of minder mate beschikken. Ze beïnvloeden hun maatschappelijke positie en de kwaliteit van leven.

Ten eerste is er het economisch kapitaal, dat wil zeggen het inkomen en vermogen dat mensen bezitten, vaak gekoppeld aan de opleiding en het beroep.

Ten tweede is er het cultureel kapitaal, dus of mensen de taal spreken, digitale vaardigheden hebben, in- of uitgesloten en gediscrimineerd worden. Hoor je erbij of niet?

Ten derde is er sociaal kapitaal, oftewel de netwerken die iemand heeft om op terug te vallen, zoals in de mantelzorg, of de kruiwagens die iemand verder helpen.

Ten vierde het persoonskapitaal, de mentale en fysieke gezondheid, maar ook de voorkomendheid en het communicatief vermogen.

Het is een open deur om te stellen dat dit kapitaal ongelijk verdeeld is. Bij discussie over ongelijkheid valt snel de term tweedeling. Wanneer die term valt, weet je dat je terecht bent gekomen in de wereld van de retorica en de wereld van de wetenschap hebt verlaten.
De recent overleden Zweedse statisticus, arts en hoogleraar Internationale gezondheid Hans Rosling toont dit scherp aan in zijn boek Feitenkennis. Toch waarschuwt SCP en Putters wel voor een dergelijke tweedeling ofschoon ze dat baseren op een maatschappelijke stratificatie met zes te onderscheiden categorieën inwoners, wat uiteraard meer recht doet aan de veelzijdige maatschappelijke werkelijkheid.
Het SCP schetst daarbij dat er een gevestigde groep aan de bovenkant van de samenleving is, en een groep jonge kansrijken, die over relatief veel hulpbronnen beschikken, gelukkig zijn, veel gezondheid ervaren en positief naar de toekomst kijken.
Er is echter ook een groep die minder van alle hulpbronnen heeft en optelt tot bijna 30%, waarbinnen ziekte en ongezondheid vaker voorkomen. Deze groep is minder gelukkig en heeft ook minder vertrouwen in de toekomst. Hieronder vallen veel bijstandsmoeders, arbeidsgehandicapten, eenoudergezinnen en eerste generatie migranten. In de middengroepen heerst vooral onzekerheid, omdat op hen vaker een beroep wordt gedaan, zoals bij mantelzorg, terwijl zij daar ook zelf meer afhankelijk van (kunnen) worden. Er is twijfel over het profijt dat zij van voorzieningen hebben, ondanks hun solidariteit met zwakkeren. Zo zijn er naast rijke ouderen in de bovenlaag en arme ouderen in het precariaat , ook comfortabel gepensioneerden die gebrekkiger en eenzamer worden, een goede financiële positie hebben, maar onzeker zijn over de waarde ervan, en vaker voor elkaar moeten gaan zorgen.
Zullen de voorzieningen er in de toekomst nog voor hen zijn? Ze ervaren een verlies van opgebouwde rechten en hebben vaak kleine netwerken om op terug te vallen. De sociale en culturele scheidslijnen hebben consequenties voor zowel de levensverwachting, als de zorgconsumptie, de opvattingen over gezondheid en het ervaren gezondheidsverlies. Het verschil in levensverwachting tussen hoog- en laagopgeleiden is zo’n zeven jaar en het verschil in jaren van ongezondheid of stapeling van ziekte loopt op tot zo’n achttien jaren.

Zeer recent heeft de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid nog eens expliciet benoemd in de rapportage “Van verschil naar potentieel. Een realistisch perspectief op de sociaaleconomische gezondheidsverschillen” dat deze verschillen, ondanks gevoerd beleid, hardnekkig en structureel zijn.
We leven langer en het aantal jaren dat we ons gezond voelen neemt toe. De verschillen tussen de sociaaleconomische groepen zijn echter evenwel nauwelijks afgenomen, en op sommige punten zelfs toegenomen.

 

Dat brengt ons bij het bestuurskundige perspectief.
Want de al oude klassiek-leninistische vraag dringt zich op: “Wat te doen?” als we dit weten. Want de blik richt zich van de wetenschap of de kennisinstituten als SCP en WRR die als vaste adviseur gelieerd zijn aan de overheid toch vaak direct naar het ingrijpen door de staat.
Wat te doen dus? Juist die uitdrukkelijk wens tot ingrijpen, tot daadkrachtig beleid, tot keihard aanpakken, kan soms leiden tot de ironische reflecties van bestuurskundige Paul Frissen, die daar zeker in sociaal domein juist allerlei haast klassiek leninistische trekjes in herkent. En dat is niet zonder reden. Ingrijpen in iets wat je eigenlijk niet snapt, kan soms erger zijn dan de kwaal. We schrijven makkelijker beleidsmatige ambities op dan dat we echt weten hoe we deze realiseren. We kondigen makkelijker een doctrine af dan dat we weten wat het daadwerkelijke effect zal zijn.

Zeker in de decentralisaties waren de afgelopen jaren sommige keuzes meer ideologisch dan wetenschappelijk geschraagd. Dat is overigens niet per definitie verkeerd, maar ook niet zonder risico. Met instemming citeert Frissen de schrijver Arnon Grunberg: “De wereld beter maken lijkt actie te veronderstellen. Misschien maak je de wereld juist beter door je in de kast op te sluiten en niets te doen.”
Frissen onderneemt in zijn plezierig persoonlijk geschreven boek De fatale staat, een poging een alternatief te formuleren voor wat hij noemt de populistische onmiddellijkheid aan de ene en modernistische maakbaarheid aan de andere kant. Beide vormen ieder voor zich, maar juist ook in combinatie, een uitdaging voor de bestaande politieke orde. Hij ziet in Nederland populistische partijen met groeiende aanhang die onmiddellijke verbeteringen en oplossingen eisen.
Tegelijkertijd bestaat er een rijke traditie van hoogopgeleide bestuurders, ingenieurs, onderzoekers en artsen die steeds meer kunnen en willen besluiten, bouwen, oplossen en genezen. Hij vreest het verbond tussen beiden dat zulke hegemonistische en totalitaire trekjes kan ontwikkelen. Een staat die alom aanwezig is, zich overal mee bemoeit, intervenieert en uniformeert. Een slogan als “Een gezin, een plan” ervaart hij als een gevaar. Een staat met meer oog heeft voor daadkracht dan voor rechtsstatelijkheid.
Hij mist bij beide stromingen een doorleefd gevoel van de tragiek die onlosmakelijk met het leven verbonden is. Hij toont zich daarbij in sterke mate een leerling van Nietzsche: God is dood, omarm je lot en ga door in weerwil van alle zinloosheid. De westerse obsessie met veiligheid en risicobeheersing is zo groot dat men lijkt te zijn vergeten dat verlies, gevaar en risico onlosmakelijk bij het leven horen.

Maar deze verzoening met de tragiek vraagt wel dat je het eerst als overheid serieus hebt geprobeerd de onrechtvaardigheid op te lossen zou een bestuurskundige als Roel in ’t Veld daarop riposteren.
Ook hij is niet blind voor de valkuilen die Frissen schets, maar vindt wel dat je als overheid een verantwoordelijkheid hebt die niet alleen rechtstatelijk is, maar nadrukkelijk ook oplossingsgericht vanuit een paternalistisch plichtsbesef. Hij wijst in zijn boek Kennisdemocratie op de toenemende intensiteit van de verstrengeling binnen de driehoek politiek, media en wetenschap waarvan beleidsmakers en bestuurder zich bewust moeten zijn in de aanpak van lastige maatschappelijke vraagstukken zoals de ongelijkheid die SCP en WRR signaleren. De genoemde driehoek is immers hun habitat.

De ontwikkeling van elk van de drie hoekpunten in deze driehoek is op zichzelf al opmerkenswaard:
(1) in de politiek ontstaan naast representatieve democratie uiteenlopende elementen van participatieve democratie met onderlinge spanningen;
(2) in de media bestaan naast de klassieke, corporate media oftewel top down media nu ook social media oftewel bottom-up media, met een totaal andere business case en andere logica, en eveneens met onderlinge spanningen en
(3) in de wetenschap ontwikkelt zich naast de klassieke vormen van disciplinaire research nu ook transdisciplinariteit, ook vol van spanningen op institutioneel en op methodologisch vlak.

Niemand wordt meer zo maar geloofd (ook het SCP niet) en tegelijkertijd is kennis wel van belang voor gezondheid en welbevinden. In ’t Veld waarschuwt ook voor het risico om in beleidsontwikkeling en – onderzoek uit te gaan van een ideologische insteek of mensbeeld. Tegengestelde ontwikkelingen zijn er tegelijkertijd.
Onbedoeld reflexgedrag van inwoners op beleid is een zekerheid.

Ik zou het bestuurskundig perspectief afsluiten met Albert Jan Kruiter.
Kruiter is een actieonderzoeker en bestuurskundig auteur die door zowel Frissen als In ’t Veld met waardering wordt aangehaald. Hij is mede door de inzet van de Participatieraad en Adri geen onbekende in Leidschendam- Voorburg. Hij onderzoekt de praktijk van het sociaal domein vanuit het perspectief van de inwoner. Wat maakt deze mee? Waar loopt hij of zij tegen aan?

Kruiter bepleit vanuit deze ervaring al enige jaren dat we niet te veel de nadruk moeten leggen op gelijke behandeling. Mensen zijn niet gelijk laat juist ook het sociologische perspectief van Putters zien; ze zijn juist in hoge mate ongelijk. Volgens Kruiter is ongelijke gevallen gelijk behandelen de ergste vorm van onverschilligheid. Vandaar ook zijn pleidooi om per geval te kijken naar wat de beste balans is tussen legitimiteit, empathie, zelfredzaamheid en efficiency. Da’s bepaald niet eenvoudig en mede daarom bepleitte hij recent nog voor een periode van beleidsstabiliteit in het sociaal domein.

 

Met Kruiter kom ik nu tot slot tot het derde perspectief waarbij ik me baseer op mijn oud-collega’s als de gezagvolle bronnen.

Er is een boek met de fantastische titel The Signal and The Noise van de Amerikaanse statisticus Nate Silver. We krijgen de hele dag door berichten die een permante ruis vormen. Kranten, vakbladen als Binnenlands Bestuur, twitter, facebook. Iedere initiatief, idee, ambitie en ervaring zoekt een podium en een publiek. Ruis is voor beleid niet goed bruikbaar, maar een bericht dat een signaal is dat iets daadwerkelijk niet goed gaat wel.
Terugkijkend kan ik getuigen dat mijn collega’s van de Participatieraad door hun contacten in verpleeghuizen, GGZ-instellingen, vrijwilligerswerk en verantwoordelijkheden als mantelzorger of als gebruiker van een PGB, al snel zaken oppikte die geen ruis waren, maar beleidsmatige aandachtpunten die ook uiteindelijk door lokale en landelijke keuzes zijn aangepast.
Ook Adri heeft daarin een belangrijke rol gespeeld als kanaal naar het college. Voorbeelden daarvan zijn signalen dat ongelijke gevallen gelijk werden behandeld, dat de positie van arbeidsgehandicapten lastiger was geworden, dat mantelzorgers zwaarder worden belast. Vaak waren het hele individuele voorbeelden waarvan je vaak niet zeker wist of ze illustratief waren voor het beleid of een incident. Of dat ze gekleurd waren door persoonlijk belang of opvatting. Natuurlijk speelt dat altijd mee, maar vaak bleken ze staan voor een ervaring die uiteindelijk lokaal en landelijk werden erkend.

Velen zijn zelfstandig en zelfredzaam; beroep op eigen verantwoordelijkheid is een groot goed; regelingen die over de kop gaan in financiële zin zijn niet duurzaam; voor de overgrote meerderheid van de bevolking is de leidende ideologische beleidsfilosofie van het sociaal domein zeker passend en duurzaam. Maar niet voor iedereen.
Het vermogen het signaal in de ruis van alledag te horen, dat wens ik alle leden van de Participatieraad, het ambtelijk apparaat en het bestuur toe.

 

Ik dank u voor uw aandacht."